doodvallen
werkwoord ˈdotfɑlə(n)Betekenis
- door een val om het leven komen
Hoe spreek je doodvallen uit?
/ˈdotfɑlən/
Doodvallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| t | tak |
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van doodvallen
doodvallenhele werkwoord — viel doodverleden tijd enkelvoud — vielen doodverleden tijd meervoud — doodgevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val dood | viel dood |
| jij | valt dood | viel dood |
| hij, zij, het | valt dood | viel dood |
| wij | vallen dood | vielen dood |
| jullie | vallen dood | vielen dood |
| zij | vallen dood | vielen dood |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben doodgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doodgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dood te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dood te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dood zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| dood zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dood zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| dood zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| doodgevallen | verleden tijd, deelwoord |
| doodgevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doodgevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doodval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doodvallend | onvoltooid, deelwoord |
| doodvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doodviel | bijzin, verleden tijd |
| doodvielen | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is doodgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doodgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn doodgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doodvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val dood | gebiedende wijs |
| viel dood | verleden tijd |
| waart doodgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doodgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doodgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doodgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doodgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doodgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doodgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal doodgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doodgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doodgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doodvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn doodgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doodgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doodgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doodgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doodgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doodgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doodgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doodgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doodvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doodvallen dood zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doodgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doodgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doodgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doodvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doodgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doodvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doodgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doodgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doodgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doodvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doodvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult doodgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult doodvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult doodvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal doodvallen dood zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van dood en vallen
Woordfamilie van doodvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doodgevallen | voltooid deelwoord | doodvallen |
| doodval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doodvallen |
| doodvalle | with-subordinate-clause | doodvallen |
| doodvallend | onvoltooid deelwoord | doodvallen |
| doodvallende | woordvorm | doodvallen |
| doodvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doodvallen |
| doodviel | subordinate-clause, verleden tijd | doodvallen |
| doodvielen | subordinate-clause, verleden tijd | doodvallen |
| val dood | gebiedende wijs | doodvallen |
| valle dood | woordvorm | doodvallen |
| vallen dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doodvallen |
| valt dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doodvallen |
| viel dood | verleden tijd | doodvallen |
| vielen dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doodvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doodvallen zijn vastgelegd.