doodsteken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand eenmaal of meermaals steken dat het de dood als gevolg heeft
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van doodsteken
doodstekenhele werkwoord — stak doodverleden tijd enkelvoud — staken doodverleden tijd meervoud — doodgestokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steek dood | stak dood |
| jij | steekt dood | staakt dood |
| hij, zij, het | steekt dood | stak dood |
| wij | steken dood | staken dood |
| jullie | steken dood | staken dood |
| zij | steken dood | staken dood |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dood te steken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dood te zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dood zal steken | bijzin, toekomende tijd |
| dood zou steken | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zouden steken | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zoudt steken | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dood zullen steken | bijzin, toekomende tijd |
| dood zult steken | bijzin, toekomende tijd |
| doodgestoken | verleden tijd, deelwoord |
| doodgestoken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doodgestoken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doodgestoken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doodgestoken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doodgestoken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doodgestoken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doodgestoken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doodgestoken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doodgestoken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doodgestoken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doodstaakt | bijzin, verleden tijd |
| doodstak | bijzin, verleden tijd |
| doodstaken | bijzin, verleden tijd |
| doodsteek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doodsteekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doodstekend | onvoltooid, deelwoord |
| er is doodgestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doodgestoken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doodgestoken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doodgestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doodgestoken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doodgestoken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doodgestoken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doodgestoken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doodgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doodgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doodgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doodgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doodgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doodgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doodgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doodgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stak dood | verleden tijd |
| steek dood | gebiedende wijs |
| te hebben doodgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doodsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doodgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doodgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doodgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doodgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doodgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doodgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doodgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doodgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal doodgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doodgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doodgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doodgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doodgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doodsteken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doodgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doodgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doodgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doodgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doodgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doodgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doodgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doodsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doodsteken dood zou(dt) steken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doodgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doodgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doodgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doodgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doodgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doodgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doodsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doodgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doodgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doodsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doodgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doodgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doodgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doodgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doodgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doodgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doodgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doodsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doodsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doodsteken | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord doodsteek
Herkomst
samenstelling van dood en steken ww
Woordfamilie van doodsteken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doodgestoken | voltooid deelwoord | doodsteken |
| doodstak | subordinate-clause, verleden tijd | doodsteken |
| doodstaken | subordinate-clause, verleden tijd | doodsteken |
| doodsteekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doodsteken |
| doodsteke | with-subordinate-clause | doodsteken |
| doodstekend | onvoltooid deelwoord | doodsteken |
| doodstekende | woordvorm | doodsteken |
| stak dood | verleden tijd | doodsteken |
| staken dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doodsteken |
| steek dood | gebiedende wijs | doodsteken |
| steekt dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doodsteken |
| steke dood | woordvorm | doodsteken |
| steken dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doodsteken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doodsteken zijn vastgelegd.