domino
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een spel met stenen die aan twee zijden voorzien zijn van ogen en die aan elkaar gelegd worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| domino's | meervoud |
| dominootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dominootjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dominoën
- gebiedende wijs van dominoën
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dominoën
Vervoeging van domino
dominohele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘spel met dominostenen’ voor het eerst aangetroffen in 1854
Woordfamilie van domino
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| domino's | meervoud | domino |
| dominootje | verkleinwoord | domino |
| dominootjes | verkleinwoord meervoud | domino |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van domino zijn vastgelegd.