domen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /domə(n)/Betekenis
- opstijgende nevel of damp vertonen
- dampen, nevelen
Hoe spreek je domen uit?
/domən/
Domen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van domen
domenhele werkwoord — doomdeverleden tijd enkelvoud — doomdenverleden tijd meervoud — gedoomdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doom | doomde |
| jij | doomt | doomde |
| hij, zij, het | doomt | doomde |
| wij | domen | doomden |
| jullie | domen | doomden |
| zij | domen | doomden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dome | aanvoegende wijs |
| domend | onvoltooid, deelwoord |
| doom | gebiedende wijs |
| doomde | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedoomd | verleden tijd, deelwoord |
| gedoomd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedoomd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedoomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedoomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedoomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedoomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedoomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedoomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedoomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te domen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedoomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen domen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal domen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal domen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal domen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou domen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou domen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou domen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden domen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden domen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden domen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt domen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen domen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen domen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen domen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen domen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult domen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord doom
Herkomst
ww: van Middelnederlands domen; afgeleid van doom met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van domen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dome | aanvoegende wijs | domen |
| domend | onvoltooid deelwoord | domen |
| domende | woordvorm | domen |
| doomde | verleden tijd | domen |
| doomden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | domen |
| doomt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | domen |
| gedoomd | voltooid deelwoord | domen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van domen zijn vastgelegd.