doleren
werkwoordBetekenis
- treuren ?
- zich beklagen
Vervoeging van doleren
dolerenhele werkwoord — doleerdeverleden tijd enkelvoud — doleerdenverleden tijd meervoud — gedoleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doleer | doleerde |
| jij | doleert | doleerde |
| hij, zij, het | doleert | doleerde |
| wij | doleren | doleerden |
| jullie | doleren | doleerden |
| zij | doleren | doleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| doleer | gebiedende wijs |
| doleerde | verleden tijd |
| dolere | aanvoegende wijs |
| dolerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedoleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedoleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedoleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedoleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal doleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou doleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt doleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen doleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult doleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse doler (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van doleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doleer | gebiedende wijs | doleren |
| doleerde | verleden tijd | doleren |
| doleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doleren |
| doleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doleren |
| dolere | aanvoegende wijs | doleren |
| dolerend | onvoltooid deelwoord | doleren |
| dolerende | woordvorm | doleren |
| gedoleerd | voltooid deelwoord | doleren |
| gedoleerde | woordvorm | doleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doleren zijn vastgelegd.