doezelen
werkwoordBetekenis
- een stof door middel van een doezelaar dun uitwrijven
- lichtjes slapen
Vervoeging van doezelen
doezelenhele werkwoord — doezeldeverleden tijd enkelvoud — doezeldenverleden tijd meervoud — gedoezeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doezel | doezelde |
| jij | doezelt | doezelde |
| hij, zij, het | doezelt | doezelde |
| wij | doezelen | doezelden |
| jullie | doezelen | doezelden |
| zij | doezelen | doezelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| doezel | gebiedende wijs |
| doezelde | verleden tijd |
| doezele | aanvoegende wijs |
| doezelend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedoezeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedoezeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedoezeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedoezeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedoezeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedoezeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedoezeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedoezeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedoezeld | verleden tijd, deelwoord |
| gedoezeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedoezeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedoezeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedoezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedoezeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedoezeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedoezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedoezeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedoezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoezeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doezelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedoezeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doezelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen doezelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult doezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘suf zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1911
Woordfamilie van doezelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doezelde | verleden tijd | doezelen |
| doezelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doezelen |
| doezele | aanvoegende wijs | doezelen |
| doezelend | onvoltooid deelwoord | doezelen |
| doezelende | woordvorm | doezelen |
| doezelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doezelen |
| gedoezeld | voltooid deelwoord | doezelen |
| gedoezelde | woordvorm | doezelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doezelen zijn vastgelegd.