divergeren
werkwoordBetekenis
- uiteenwijken, uiteenlopen, uit elkaar gaan
Vervoeging van divergeren
divergerenhele werkwoord — divergeerdeverleden tijd enkelvoud — divergeerdenverleden tijd meervoud — gedivergeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | divergeer | divergeerde |
| jij | divergeert | divergeerde |
| hij, zij, het | divergeert | divergeerde |
| wij | divergeren | divergeerden |
| jullie | divergeren | divergeerden |
| zij | divergeren | divergeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| divergeer | gebiedende wijs |
| divergeerde | verleden tijd |
| divergere | aanvoegende wijs |
| divergerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedivergeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedivergeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedivergeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedivergeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedivergeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedivergeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedivergeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedivergeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedivergeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedivergeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedivergeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedivergeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedivergeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedivergeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedivergeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedivergeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedivergeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedivergeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te divergeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedivergeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen divergeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedivergeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedivergeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedivergeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedivergeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedivergeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedivergeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedivergeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedivergeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedivergeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedivergeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen divergeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedivergeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedivergeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedivergeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult divergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedivergeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uiteenwijken’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van divergeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| divergeer | gebiedende wijs | divergeren |
| divergeerde | verleden tijd | divergeren |
| divergeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | divergeren |
| divergeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | divergeren |
| divergere | aanvoegende wijs | divergeren |
| divergerend | onvoltooid deelwoord | divergeren |
| divergerende | woordvorm | divergeren |
| gedivergeerd | voltooid deelwoord | divergeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van divergeren zijn vastgelegd.