diepen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- diep maken
Vervoeging van diepen
diepenhele werkwoord — diepteverleden tijd enkelvoud — dieptenverleden tijd meervoud — gedieptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | diep | diepte |
| jij | diept | diepte |
| hij, zij, het | diept | diepte |
| wij | diepen | diepten |
| jullie | diepen | diepten |
| zij | diepen | diepten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| diep | gebiedende wijs |
| diepe | aanvoegende wijs |
| diepend | onvoltooid, deelwoord |
| diepte | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| gediept | verleden tijd, deelwoord |
| gediept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gediept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gediept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gediept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gediept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gediept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gediept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gediept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gediept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gediept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gediept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gediept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gediept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gediept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gediept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gediept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gediept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te diepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gediept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen diepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal diepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal diepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal diepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gediept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gediept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gediept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou diepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou diepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou diepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gediept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gediept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gediept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden diepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden diepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden diepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gediept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gediept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gediept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt diepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gediept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen diepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen diepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen diepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen diepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gediept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gediept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gediept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult diepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gediept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord diep
Herkomst
afgeleid van diep met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van diepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| diepend | onvoltooid deelwoord | diepen |
| diepende | woordvorm | diepen |
| diept | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | diepen |
| gediept | voltooid deelwoord | diepen |
| gediepte | woordvorm | diepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van diepen zijn vastgelegd.