dictee
zelfstandig naamwoord, werkwoord /dɪk'te/Betekenis
- een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
Hoe spreek je dictee uit?
/dɪkˈte/
Dictee bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| t | tak |
| e | veel |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dictees | meervoud |
| dicteetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dicteetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dicteeën
- gebiedende wijs van dicteeën
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dicteeën
Vervoeging van dictee
dicteehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘speloefening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1929
Woordfamilie van dictee
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dictees | meervoud | dictee |
| dicteetje | verkleinwoord | dictee |
| dicteetjes | verkleinwoord meervoud | dictee |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dictee zijn vastgelegd.