Naar de inhoud

dichtvriezen

door vriezen geheel met stevig ijs bedekt raken

dichtvriezen

werkwoord

Betekenis

  1. door vriezen geheel met stevig ijs bedekt raken

Vervoeging van dichtvriezen

dichtvriezenhele werkwoord — vroor dichtverleden tijd enkelvoud — vroren dichtverleden tijd meervoud — dichtgevrorenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vries dicht vroor dicht
jij vriest dicht vroor dicht
hij, zij, het vriest dicht vroor dicht
wij vriezen dicht vroren dicht
jullie vriezen dicht vroren dicht
zij vriezen dicht vroren dicht
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben dichtgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent dichtgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dicht te vriezen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dicht te zullen vriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
dicht zal vriezen bijzin, toekomende tijd
dicht zou vriezen bijzin, voorwaardelijk
dicht zouden vriezen bijzin, voorwaardelijk
dicht zoudt vriezen bijzin, voorwaardelijk
dicht zullen vriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
dicht zullen vriezen bijzin, toekomende tijd
dicht zult vriezen bijzin, toekomende tijd
dichtgevroren verleden tijd, deelwoord
dichtgevroren te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
dichtgevroren zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
dichtvries bijzin, tegenwoordige tijd
dichtvriest bijzin, tegenwoordige tijd
dichtvriezend onvoltooid, deelwoord
dichtvroor bijzin, verleden tijd
dichtvroren bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
is dichtgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is dichtgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn dichtgevroren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen dichtvriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vries dicht gebiedende wijs
vroor dicht verleden tijd
waart dichtgevroren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren dichtgevroren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren dichtgevroren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren dichtgevroren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was dichtgevroren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was dichtgevroren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was dichtgevroren voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal dichtgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal dichtgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal dichtgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal dichtvriezen bijzin, toekomende tijd
zijn dichtgevroren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn dichtgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn dichtgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn dichtgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt dichtgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou dichtgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou dichtgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou dichtgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou dichtvriezen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) dichtvriezen dicht zou(dt) vriezen bijzin, voorwaardelijk
zouden dichtgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden dichtgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden dichtgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden dichtvriezen bijzin, voorwaardelijk
zoudt dichtgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt dichtvriezen bijzin, voorwaardelijk
zullen dichtgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen dichtgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen dichtgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen dichtvriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen dichtvriezen bijzin, toekomende tijd
zult dichtgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult dichtvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult dichtvriezen bijzin, toekomende tijd
zult/zal dichtvriezen dicht zult/zal vriezen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van dicht en vriezen

Woordfamilie van dichtvriezen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dichtgevroren voltooid deelwoord dichtvriezen
dichtvries subordinate-clause, tegenwoordige tijd dichtvriezen
dichtvriest subordinate-clause, tegenwoordige tijd dichtvriezen
dichtvrieze with-subordinate-clause dichtvriezen
dichtvriezend onvoltooid deelwoord dichtvriezen
dichtvriezende woordvorm dichtvriezen
dichtvroor subordinate-clause, verleden tijd dichtvriezen
dichtvroren subordinate-clause, verleden tijd dichtvriezen
vries dicht gebiedende wijs dichtvriezen
vriest dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon dichtvriezen
vrieze dicht woordvorm dichtvriezen
vriezen dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon dichtvriezen
vroor dicht verleden tijd dichtvriezen
vroren dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon dichtvriezen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtvriezen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over dichtvriezen

Wat is de betekenis van dichtvriezen?
Dichtvriezen is een werkwoord. De betekenis is: door vriezen geheel met stevig ijs bedekt raken.
Hoe vervoeg ik dichtvriezen?
Zo vervoeg je dichtvriezen zo: het voltooid deelwoord is dichtgevroren. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord dichtvriezen is 28 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. I 1
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. V 4
  7. R 2
  8. I 1
  9. E 1
  10. Z 4
  11. E 1
  12. N 1
  13. 28 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

dichtvriezen levert met Wordfeud minimaal 31 en maximaal 123 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. I 2
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. V 4
  7. R 2
  8. I 2
  9. E 1
  10. Z 5
  11. E 1
  12. N 1
  13. 31 zonder bonus
  14. 123 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

dichtvriezen in het kort

dichtvriezen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van dichtvriezen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort dichtvriezen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

dichtvriezen: door vriezen geheel met stevig ijs bedekt raken
Deel dichtvriezen — standaardnederlands.nl