dichtspringen
werkwoordBetekenis
- plotseling, snel dichtgaan
Vervoeging van dichtspringen
dichtspringenhele werkwoord — sprong dichtverleden tijd enkelvoud — sprongen dichtverleden tijd meervoud — dichtgesprongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spring dicht | sprong dicht |
| jij | springt dicht | sprong dicht |
| hij, zij, het | springt dicht | sprong dicht |
| wij | springen dicht | sprongen dicht |
| jullie | springen dicht | sprongen dicht |
| zij | springen dicht | sprongen dicht |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben dichtgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent dichtgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dicht te springen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dicht te zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dicht zal springen | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zou springen | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zouden springen | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zoudt springen | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dicht zullen springen | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zult springen | bijzin, toekomende tijd |
| dichtgesprongen | verleden tijd, deelwoord |
| dichtgesprongen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgesprongen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtspring | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtspringend | onvoltooid, deelwoord |
| dichtspringt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtsprong | bijzin, verleden tijd |
| dichtsprongen | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is dichtgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is dichtgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spring dicht | gebiedende wijs |
| sprong dicht | verleden tijd |
| te zijn dichtgesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dichtspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart dichtgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren dichtgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was dichtgesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was dichtgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was dichtgesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal dichtgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dichtgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dichtspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn dichtgesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn dichtgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn dichtgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn dichtgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt dichtgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dichtgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dichtspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) dichtspringen dicht zou(dt) springen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dichtgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dichtspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dichtgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dichtspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen dichtgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dichtspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult dichtgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult dichtspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult dichtspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal dichtspringen dicht zult/zal springen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van dicht en springen
Woordfamilie van dichtspringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dichtgesprongen | voltooid deelwoord | dichtspringen |
| dichtspring | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtspringen |
| dichtspringe | with-subordinate-clause | dichtspringen |
| dichtspringend | onvoltooid deelwoord | dichtspringen |
| dichtspringende | woordvorm | dichtspringen |
| dichtspringt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtspringen |
| dichtsprong | subordinate-clause, verleden tijd | dichtspringen |
| dichtsprongen | subordinate-clause, verleden tijd | dichtspringen |
| spring dicht | gebiedende wijs | dichtspringen |
| springe dicht | woordvorm | dichtspringen |
| springen dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dichtspringen |
| springt dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dichtspringen |
| sprong dicht | verleden tijd | dichtspringen |
| sprongen dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dichtspringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtspringen zijn vastgelegd.