Naar de inhoud

dialogiseren

in de vorm van een dialoog brengen

dialogiseren

werkwoord

Betekenis

  1. in de vorm van een dialoog brengen

Vervoeging van dialogiseren

dialogiserenhele werkwoord — dialogiseerdeverleden tijd enkelvoud — dialogiseerdenverleden tijd meervoud — gedialogiseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik dialogiseer dialogiseerde
jij dialogiseert dialogiseerde
hij, zij, het dialogiseert dialogiseerde
wij dialogiseren dialogiseerden
jullie dialogiseren dialogiseerden
zij dialogiseren dialogiseerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dialogiseer gebiedende wijs
dialogiseerde verleden tijd
dialogisere aanvoegende wijs
dialogiserend onvoltooid, deelwoord
er is gedialogiseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedialogiseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedialogiseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedialogiseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedialogiseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedialogiseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedialogiseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedialogiseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedialogiseerd verleden tijd, deelwoord
gedialogiseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedialogiseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedialogiseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedialogiseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedialogiseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedialogiseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedialogiseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedialogiseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedialogiseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedialogiseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedialogiseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te dialogiseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedialogiseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen dialogiseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedialogiseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedialogiseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedialogiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedialogiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedialogiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedialogiseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedialogiseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedialogiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedialogiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedialogiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedialogiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedialogiseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedialogiseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedialogiseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedialogiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedialogiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedialogiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedialogiseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedialogiseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedialogiseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedialogiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedialogiseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen dialogiseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedialogiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedialogiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedialogiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedialogiseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedialogiseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedialogiseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult dialogiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedialogiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedialogiseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedialogiseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse dialogiser (met het voorvoegsel dia-) met het achtervoegsel -iseren

Woordfamilie van dialogiseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dialogiseer gebiedende wijs dialogiseren
dialogiseerde verleden tijd dialogiseren
dialogiseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon dialogiseren
dialogiseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon dialogiseren
dialogisere aanvoegende wijs dialogiseren
dialogiserend onvoltooid deelwoord dialogiseren
dialogiserende woordvorm dialogiseren
gedialogiseerd voltooid deelwoord dialogiseren
gedialogiseerde woordvorm dialogiseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dialogiseren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over dialogiseren

Wat betekent dialogiseren?
Dialogiseren is een werkwoord. Het woord betekent: in de vorm van een dialoog brengen.
Hoe vervoeg je dialogiseren?
Je vervoegt dialogiseren als volgt: de tegenwoordige tijd is dialogiseer, de verleden tijd is dialogiseerde en het voltooid deelwoord is gedialogiseerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord dialogiseren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. I 1
  3. A 1
  4. L 3
  5. O 1
  6. G 3
  7. I 1
  8. S 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

dialogiseren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. I 2
  3. A 1
  4. L 3
  5. O 1
  6. G 3
  7. I 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 zonder bonus
  14. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

dialogiseren in het kort

dialogiseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van dialogiseren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort dialogiseren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

dialogiseren: in de vorm van een dialoog brengen
Deel dialogiseren — standaardnederlands.nl