dialogiseren
werkwoordBetekenis
- in de vorm van een dialoog brengen
Vervoeging van dialogiseren
dialogiserenhele werkwoord — dialogiseerdeverleden tijd enkelvoud — dialogiseerdenverleden tijd meervoud — gedialogiseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dialogiseer | dialogiseerde |
| jij | dialogiseert | dialogiseerde |
| hij, zij, het | dialogiseert | dialogiseerde |
| wij | dialogiseren | dialogiseerden |
| jullie | dialogiseren | dialogiseerden |
| zij | dialogiseren | dialogiseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dialogiseer | gebiedende wijs |
| dialogiseerde | verleden tijd |
| dialogisere | aanvoegende wijs |
| dialogiserend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedialogiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedialogiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedialogiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedialogiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedialogiseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedialogiseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedialogiseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedialogiseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedialogiseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedialogiseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedialogiseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedialogiseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedialogiseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedialogiseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedialogiseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedialogiseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedialogiseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedialogiseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedialogiseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedialogiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dialogiseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedialogiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dialogiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedialogiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedialogiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedialogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedialogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedialogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedialogiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedialogiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedialogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedialogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedialogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedialogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedialogiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedialogiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedialogiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedialogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedialogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedialogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedialogiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedialogiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedialogiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedialogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedialogiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dialogiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedialogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedialogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedialogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedialogiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedialogiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedialogiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dialogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedialogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedialogiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedialogiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse dialogiser (met het voorvoegsel dia-) met het achtervoegsel -iseren
Woordfamilie van dialogiseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dialogiseer | gebiedende wijs | dialogiseren |
| dialogiseerde | verleden tijd | dialogiseren |
| dialogiseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dialogiseren |
| dialogiseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dialogiseren |
| dialogisere | aanvoegende wijs | dialogiseren |
| dialogiserend | onvoltooid deelwoord | dialogiseren |
| dialogiserende | woordvorm | dialogiseren |
| gedialogiseerd | voltooid deelwoord | dialogiseren |
| gedialogiseerde | woordvorm | dialogiseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dialogiseren zijn vastgelegd.