deviëren
werkwoordBetekenis
- afwijken (van een regel, norm, standaard, route, richting etc.)
Vervoeging van deviëren
deviërenhele werkwoord — devieerdeverleden tijd enkelvoud — devieerdenverleden tijd meervoud — gedevieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | devieer | devieerde |
| jij | devieert | devieerde |
| hij, zij, het | devieert | devieerde |
| wij | deviëren | devieerden |
| jullie | deviëren | devieerden |
| zij | deviëren | devieerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| devieer | gebiedende wijs |
| devieerde | verleden tijd |
| deviëre | aanvoegende wijs |
| deviërend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedevieerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedevieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedevieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedevieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedevieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedevieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedevieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedevieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedevieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedevieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedevieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedevieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedevieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedevieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedevieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedevieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedevieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedevieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te deviëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedevieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen deviëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedevieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedevieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedevieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedevieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedevieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedevieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedevieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedevieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedevieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedevieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen deviëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedevieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedevieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedevieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult deviëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedevieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse dévier ((met het voorvoegsel de-) en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van deviëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| devieer | gebiedende wijs | deviëren |
| devieerde | verleden tijd | deviëren |
| devieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | deviëren |
| devieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | deviëren |
| deviëre | aanvoegende wijs | deviëren |
| deviërend | onvoltooid deelwoord | deviëren |
| deviërende | woordvorm | deviëren |
| gedevieerd | voltooid deelwoord | deviëren |
| gedevieerde | woordvorm | deviëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deviëren zijn vastgelegd.