Naar de inhoud

devalueren

(de waarde van de munteenheid) verminderen ten opzichte van buitenlands geld

devalueren

werkwoord

Betekenis

  1. (de waarde van de munteenheid) verminderen ten opzichte van buitenlands geld
  2. het vanzelf in waarde verminderen van een munt ten opzichte van andere munten

werkwoord

  1. verminderen ten opzichte van buitenlands geld transitive

Vervoeging van devalueren

devaluerenhele werkwoord — devalueerdeverleden tijd enkelvoud — devalueerdenverleden tijd meervoud — gedevalueerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik devalueer devalueerde
jij devalueert devalueerde
hij, zij, het devalueert devalueerde
wij devalueren devalueerden
jullie devalueren devalueerden
zij devalueren devalueerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
devalueer gebiedende wijs
devalueerde verleden tijd
devaluere aanvoegende wijs
devaluerend onvoltooid, deelwoord
er is gedevalueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedevalueerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedevalueerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedevalueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedevalueerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedevalueerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedevalueerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedevalueerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedevalueerd verleden tijd, deelwoord
gedevalueerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedevalueerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedevalueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedevalueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedevalueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedevalueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedevalueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedevalueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedevalueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedevalueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedevalueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedevalueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedevalueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedevalueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedevalueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedevalueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedevalueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te devalueren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedevalueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen devalueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal devalueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal devalueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal devalueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedevalueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedevalueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedevalueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou devalueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou devalueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou devalueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedevalueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedevalueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedevalueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden devalueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden devalueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden devalueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedevalueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedevalueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedevalueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt devalueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedevalueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen devalueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen devalueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen devalueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen devalueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedevalueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedevalueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedevalueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult devalueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedevalueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse dévaluer (met het voorvoegsel de- en met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van devalueren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
devalueer gebiedende wijs devalueren
devalueerde verleden tijd devalueren
devalueerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon devalueren
devalueert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon devalueren
devaluere aanvoegende wijs devalueren
devaluerend onvoltooid deelwoord devalueren
devaluerende woordvorm devalueren
gedevalueerd voltooid deelwoord devalueren
gedevalueerde woordvorm devalueren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van devalueren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over devalueren

Wat is de betekenis van devalueren?
Devalueren is een werkwoord. De betekenis is: (de waarde van de munteenheid) verminderen ten opzichte van buitenlands geld. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik devalueren?
Zo vervoeg je devalueren zo: de tegenwoordige tijd is devalueer, de verleden tijd is devalueerde en het voltooid deelwoord is gedevalueerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord devalueren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. V 4
  4. A 1
  5. L 3
  6. U 4
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

devalueren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. V 4
  4. A 1
  5. L 3
  6. U 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

devalueren in het kort

devalueren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van devalueren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort devalueren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

devalueren: (de waarde van de munteenheid) verminderen ten opzichte van buitenlands geld
Deel devalueren — standaardnederlands.nl