devalueren
werkwoordBetekenis
- (de waarde van de munteenheid) verminderen ten opzichte van buitenlands geld
- het vanzelf in waarde verminderen van een munt ten opzichte van andere munten
werkwoord
- verminderen ten opzichte van buitenlands geld transitive
Vervoeging van devalueren
devaluerenhele werkwoord — devalueerdeverleden tijd enkelvoud — devalueerdenverleden tijd meervoud — gedevalueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | devalueer | devalueerde |
| jij | devalueert | devalueerde |
| hij, zij, het | devalueert | devalueerde |
| wij | devalueren | devalueerden |
| jullie | devalueren | devalueerden |
| zij | devalueren | devalueerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| devalueer | gebiedende wijs |
| devalueerde | verleden tijd |
| devaluere | aanvoegende wijs |
| devaluerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedevalueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedevalueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedevalueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedevalueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedevalueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedevalueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedevalueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedevalueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedevalueerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedevalueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedevalueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedevalueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedevalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedevalueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedevalueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedevalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedevalueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedevalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedevalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedevalueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedevalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedevalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedevalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedevalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedevalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedevalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te devalueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedevalueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen devalueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedevalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedevalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedevalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedevalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedevalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedevalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedevalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedevalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedevalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedevalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen devalueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedevalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedevalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedevalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult devalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedevalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse dévaluer (met het voorvoegsel de- en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van devalueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| devalueer | gebiedende wijs | devalueren |
| devalueerde | verleden tijd | devalueren |
| devalueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | devalueren |
| devalueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | devalueren |
| devaluere | aanvoegende wijs | devalueren |
| devaluerend | onvoltooid deelwoord | devalueren |
| devaluerende | woordvorm | devalueren |
| gedevalueerd | voltooid deelwoord | devalueren |
| gedevalueerde | woordvorm | devalueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van devalueren zijn vastgelegd.