detacheren
werkwoordBetekenis
- tijdelijk elders laten werken
- tijdelijk elders legeren
Vervoeging van detacheren
detacherenhele werkwoord — detacheerdeverleden tijd enkelvoud — detacheerdenverleden tijd meervoud — gedetacheerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | detacheer | detacheerde |
| jij | detacheert | detacheerde |
| hij, zij, het | detacheert | detacheerde |
| wij | detacheren | detacheerden |
| jullie | detacheren | detacheerden |
| zij | detacheren | detacheerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| detacheer | gebiedende wijs |
| detacheerde | verleden tijd |
| detachere | aanvoegende wijs |
| detacherend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedetacheerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedetacheerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedetacheerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedetacheerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedetacheerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedetacheerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedetacheerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedetacheerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedetacheerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedetacheerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedetacheerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedetacheerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedetacheerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedetacheerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedetacheerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedetacheerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedetacheerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedetacheerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedetacheerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedetacheerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te detacheren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedetacheerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen detacheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedetacheerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedetacheerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedetacheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedetacheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedetacheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedetacheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedetacheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedetacheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedetacheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedetacheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedetacheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedetacheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedetacheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedetacheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedetacheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedetacheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedetacheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedetacheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedetacheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedetacheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedetacheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedetacheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen detacheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedetacheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedetacheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedetacheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedetacheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedetacheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedetacheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult detacheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedetacheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedetacheerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedetacheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘elders plaatsen’ voor het eerst aangetroffen in 1678
Woordfamilie van detacheren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| detacheer | gebiedende wijs | detacheren |
| detacheerde | verleden tijd | detacheren |
| detacheerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | detacheren |
| detacheert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | detacheren |
| detachere | aanvoegende wijs | detacheren |
| detacherend | onvoltooid deelwoord | detacheren |
| detacherende | woordvorm | detacheren |
| gedetacheerd | voltooid deelwoord | detacheren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van detacheren zijn vastgelegd.