desorganiseren
werkwoordBetekenis
- samenhang verstoren of teloor doen gaan
Vervoeging van desorganiseren
desorganiserenhele werkwoord — desorganiseerdeverleden tijd enkelvoud — desorganiseerdenverleden tijd meervoud — gedesorganiseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | desorganiseer | desorganiseerde |
| jij | desorganiseert | desorganiseerde |
| hij, zij, het | desorganiseert | desorganiseerde |
| wij | desorganiseren | desorganiseerden |
| jullie | desorganiseren | desorganiseerden |
| zij | desorganiseren | desorganiseerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| desorganiseer | gebiedende wijs |
| desorganiseerde | verleden tijd |
| desorganisere | aanvoegende wijs |
| desorganiserend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedesorganiseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedesorganiseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedesorganiseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedesorganiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedesorganiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedesorganiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedesorganiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedesorganiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedesorganiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedesorganiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedesorganiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedesorganiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedesorganiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedesorganiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedesorganiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedesorganiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedesorganiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedesorganiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te desorganiseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedesorganiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen desorganiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedesorganiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedesorganiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedesorganiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedesorganiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedesorganiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedesorganiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedesorganiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedesorganiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedesorganiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedesorganiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen desorganiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedesorganiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedesorganiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedesorganiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult desorganiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedesorganiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van organiseren met het voorvoegsel des-
Woordfamilie van desorganiseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| desorganiseer | gebiedende wijs | desorganiseren |
| desorganiseerde | verleden tijd | desorganiseren |
| desorganiseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | desorganiseren |
| desorganiseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | desorganiseren |
| desorganisere | aanvoegende wijs | desorganiseren |
| desorganiserend | onvoltooid deelwoord | desorganiseren |
| desorganiserende | woordvorm | desorganiseren |
| gedesorganiseerd | voltooid deelwoord | desorganiseren |
| gedesorganiseerde | woordvorm | desorganiseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van desorganiseren zijn vastgelegd.