desintegreren
werkwoordBetekenis
- uit elkaar vallen, zijn samenhang verliezen
Vervoeging van desintegreren
desintegrerenhele werkwoord — desintegreerdeverleden tijd enkelvoud — desintegreerdenverleden tijd meervoud — gedesintegreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | desintegreer | desintegreerde |
| jij | desintegreert | desintegreerde |
| hij, zij, het | desintegreert | desintegreerde |
| wij | desintegreren | desintegreerden |
| jullie | desintegreren | desintegreerden |
| zij | desintegreren | desintegreerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gedesintegreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedesintegreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| desintegreer | gebiedende wijs |
| desintegreerde | verleden tijd |
| desintegrere | aanvoegende wijs |
| desintegrerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedesintegreerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedesintegreerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedesintegreerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gedesintegreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedesintegreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te desintegreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gedesintegreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen desintegreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedesintegreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedesintegreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedesintegreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedesintegreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedesintegreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedesintegreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedesintegreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedesintegreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedesintegreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedesintegreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedesintegreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gedesintegreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedesintegreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedesintegreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedesintegreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedesintegreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedesintegreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedesintegreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedesintegreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedesintegreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedesintegreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedesintegreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen desintegreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedesintegreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedesintegreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedesintegreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult desintegreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedesintegreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uiteenvallen’ voor het eerst aangetroffen in 1939
Woordfamilie van desintegreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| desintegreer | gebiedende wijs | desintegreren |
| desintegreerde | verleden tijd | desintegreren |
| desintegreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | desintegreren |
| desintegreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | desintegreren |
| desintegrere | aanvoegende wijs | desintegreren |
| desintegrerend | onvoltooid deelwoord | desintegreren |
| desintegrerende | woordvorm | desintegreren |
| gedesintegreerd | voltooid deelwoord | desintegreren |
| gedesintegreerde | woordvorm | desintegreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van desintegreren zijn vastgelegd.