desinfecteren
werkwoordBetekenis
- ontsmetten
Vervoeging van desinfecteren
desinfecterenhele werkwoord — desinfecteerdeverleden tijd enkelvoud — desinfecteerdenverleden tijd meervoud — gedesinfecteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | desinfecteer | desinfecteerde |
| jij | desinfecteert | desinfecteerde |
| hij, zij, het | desinfecteert | desinfecteerde |
| wij | desinfecteren | desinfecteerden |
| jullie | desinfecteren | desinfecteerden |
| zij | desinfecteren | desinfecteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| desinfecteer | gebiedende wijs |
| desinfecteerde | verleden tijd |
| desinfectere | aanvoegende wijs |
| desinfecterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedesinfecteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedesinfecteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedesinfecteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedesinfecteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedesinfecteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedesinfecteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedesinfecteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedesinfecteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedesinfecteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedesinfecteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedesinfecteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedesinfecteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedesinfecteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedesinfecteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedesinfecteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedesinfecteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedesinfecteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedesinfecteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedesinfecteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedesinfecteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te desinfecteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedesinfecteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen desinfecteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedesinfecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedesinfecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedesinfecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedesinfecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedesinfecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedesinfecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedesinfecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedesinfecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedesinfecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedesinfecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedesinfecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedesinfecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedesinfecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedesinfecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedesinfecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedesinfecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedesinfecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedesinfecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedesinfecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedesinfecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedesinfecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedesinfecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen desinfecteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedesinfecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedesinfecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedesinfecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedesinfecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedesinfecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedesinfecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult desinfecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedesinfecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedesinfecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedesinfecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontsmetten’ voor het eerst aangetroffen in 1878
Woordfamilie van desinfecteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| desinfecteer | gebiedende wijs | desinfecteren |
| desinfecteerde | verleden tijd | desinfecteren |
| desinfecteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | desinfecteren |
| desinfecteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | desinfecteren |
| desinfectere | aanvoegende wijs | desinfecteren |
| desinfecterend | onvoltooid deelwoord | desinfecteren |
| desinfecterende | woordvorm | desinfecteren |
| gedesinfecteerd | voltooid deelwoord | desinfecteren |
| gedesinfecteerde | woordvorm | desinfecteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van desinfecteren zijn vastgelegd.