derogeren
werkwoordBetekenis
- buitenwerking stellen (van een rechtsnorm)
werkwoord
- buiten werking stellen (van een rechtsnorm)
Vervoeging van derogeren
derogerenhele werkwoord — derogeerdeverleden tijd enkelvoud — derogeerdenverleden tijd meervoud — gederogeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | derogeer | derogeerde |
| jij | derogeert | derogeerde |
| hij, zij, het | derogeert | derogeerde |
| wij | derogeren | derogeerden |
| jullie | derogeren | derogeerden |
| zij | derogeren | derogeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| derogeer | gebiedende wijs |
| derogeerde | verleden tijd |
| derogere | aanvoegende wijs |
| derogerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gederogeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gederogeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gederogeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gederogeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gederogeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gederogeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gederogeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gederogeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gederogeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gederogeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gederogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gederogeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gederogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gederogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gederogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gederogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gederogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gederogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te derogeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gederogeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen derogeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gederogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gederogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gederogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gederogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gederogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gederogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gederogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gederogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gederogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gederogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen derogeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gederogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gederogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gederogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult derogeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gederogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse déroger (met het voorvoegsel de- en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van derogeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| derogeer | gebiedende wijs | derogeren |
| derogeerde | verleden tijd | derogeren |
| derogeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | derogeren |
| derogeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | derogeren |
| derogere | aanvoegende wijs | derogeren |
| derogerend | onvoltooid deelwoord | derogeren |
| derogerende | woordvorm | derogeren |
| gederogeerd | voltooid deelwoord | derogeren |
| gederogeerde | woordvorm | derogeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van derogeren zijn vastgelegd.