deputeren
werkwoordBetekenis
- afvaardigen
Vervoeging van deputeren
deputerenhele werkwoord — deputeerdeverleden tijd enkelvoud — deputeerdenverleden tijd meervoud — gedeputeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | deputeer | deputeerde |
| jij | deputeert | deputeerde |
| hij, zij, het | deputeert | deputeerde |
| wij | deputeren | deputeerden |
| jullie | deputeren | deputeerden |
| zij | deputeren | deputeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| deputeer | gebiedende wijs |
| deputeerde | verleden tijd |
| deputere | aanvoegende wijs |
| deputerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedeputeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedeputeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedeputeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedeputeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedeputeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedeputeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedeputeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedeputeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedeputeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedeputeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedeputeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedeputeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedeputeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedeputeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedeputeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedeputeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedeputeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedeputeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedeputeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedeputeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te deputeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedeputeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen deputeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedeputeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedeputeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedeputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedeputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedeputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedeputeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedeputeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedeputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedeputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedeputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedeputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedeputeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedeputeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedeputeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedeputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedeputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedeputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedeputeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedeputeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedeputeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedeputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedeputeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen deputeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedeputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedeputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedeputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedeputeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedeputeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedeputeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult deputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedeputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedeputeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedeputeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afvaardigen’ voor het eerst aangetroffen in 1358
Woordfamilie van deputeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deputeer | gebiedende wijs | deputeren |
| deputeerde | verleden tijd | deputeren |
| deputeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | deputeren |
| deputeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | deputeren |
| deputere | aanvoegende wijs | deputeren |
| deputerend | onvoltooid deelwoord | deputeren |
| deputerende | woordvorm | deputeren |
| gedeputeerd | voltooid deelwoord | deputeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deputeren zijn vastgelegd.