Naar de inhoud

denunciëren

verklikken, aanbrengen, aangeven

denunciëren

werkwoord

Betekenis

  1. verklikken, aanbrengen, aangeven

Vervoeging van denunciëren

denunciërenhele werkwoord — denuncieerdeverleden tijd enkelvoud — denuncieerdenverleden tijd meervoud — gedenuncieerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik denuncieer denuncieerde
jij denuncieert denuncieerde
hij, zij, het denuncieert denuncieerde
wij denunciëren denuncieerden
jullie denunciëren denuncieerden
zij denunciëren denuncieerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
denuncieer gebiedende wijs
denuncieerde verleden tijd
denunciëre aanvoegende wijs
denunciërend onvoltooid, deelwoord
er is gedenuncieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedenuncieerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedenuncieerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedenuncieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedenuncieerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedenuncieerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedenuncieerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedenuncieerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedenuncieerd verleden tijd, deelwoord
gedenuncieerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedenuncieerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedenuncieerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedenuncieerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedenuncieerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedenuncieerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedenuncieerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedenuncieerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedenuncieerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedenuncieerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedenuncieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te denunciëren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedenuncieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen denunciëren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedenuncieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedenuncieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedenuncieerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedenuncieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedenuncieerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedenuncieerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedenuncieerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedenuncieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedenuncieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedenuncieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedenuncieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedenuncieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedenuncieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedenuncieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedenuncieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedenuncieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedenuncieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedenuncieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedenuncieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedenuncieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedenuncieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedenuncieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen denunciëren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedenuncieerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedenuncieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedenuncieerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedenuncieerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedenuncieerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedenuncieerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult denunciëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedenuncieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedenuncieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedenuncieerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordfamilie van denunciëren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
denuncieer gebiedende wijs denunciëren
denuncieerde verleden tijd denunciëren
denuncieerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon denunciëren
denuncieert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon denunciëren
denunciëre aanvoegende wijs denunciëren
denunciërend onvoltooid deelwoord denunciëren
denunciërende woordvorm denunciëren
gedenuncieerd voltooid deelwoord denunciëren
gedenuncieerde woordvorm denunciëren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van denunciëren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over denunciëren

Wat is de betekenis van denunciëren?
Denunciëren is een werkwoord. De betekenis is: verklikken, aanbrengen, aangeven.
Hoe vervoeg ik denunciëren?
Zo vervoeg je denunciëren zo: de tegenwoordige tijd is denuncieer, de verleden tijd is denuncieerde en het voltooid deelwoord is gedenuncieerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord denunciëren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. N 1
  4. U 4
  5. N 1
  6. C 5
  7. I 1
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

denunciëren levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. N 1
  4. U 2
  5. N 1
  6. C 5
  7. I 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

denunciëren in het kort

denunciëren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van denunciëren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort denunciëren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

denunciëren: verklikken, aanbrengen, aangeven
Deel denunciëren — standaardnederlands.nl