denationaliseren
werkwoordBetekenis
- ontnemen van de nationaliteit
- privatiseren na voorafgaand nationaliseren
Vervoeging van denationaliseren
denationaliserenhele werkwoord — denationaliseerdeverleden tijd enkelvoud — denationaliseerdenverleden tijd meervoud — gedenationaliseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | denationaliseer | denationaliseerde |
| jij | denationaliseert | denationaliseerde |
| hij, zij, het | denationaliseert | denationaliseerde |
| wij | denationaliseren | denationaliseerden |
| jullie | denationaliseren | denationaliseerden |
| zij | denationaliseren | denationaliseerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| denationaliseer | gebiedende wijs |
| denationaliseerde | verleden tijd |
| denationalisere | aanvoegende wijs |
| denationaliserend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedenationaliseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedenationaliseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedenationaliseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedenationaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedenationaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedenationaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedenationaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedenationaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedenationaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedenationaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedenationaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedenationaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedenationaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedenationaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedenationaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedenationaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedenationaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedenationaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te denationaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedenationaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen denationaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedenationaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedenationaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedenationaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedenationaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedenationaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedenationaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedenationaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedenationaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedenationaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedenationaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen denationaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedenationaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedenationaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedenationaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult denationaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedenationaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van nationaliseren met het voorvoegsel de-
Woordfamilie van denationaliseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| denationaliseer | gebiedende wijs | denationaliseren |
| denationaliseerde | verleden tijd | denationaliseren |
| denationaliseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | denationaliseren |
| denationaliseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | denationaliseren |
| denationalisere | aanvoegende wijs | denationaliseren |
| denationaliserend | onvoltooid deelwoord | denationaliseren |
| denationaliserende | woordvorm | denationaliseren |
| gedenationaliseerd | voltooid deelwoord | denationaliseren |
| gedenationaliseerde | woordvorm | denationaliseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van denationaliseren zijn vastgelegd.