Naar de inhoud

demobiliseren

tot vredessterkte terugbrengen

demobiliseren

werkwoord

Betekenis

  1. tot vredessterkte terugbrengen
  2. uit de krijgsdienst ontslaan
  3. (roerend goed) tot onroerend verklaren

werkwoord

  1. tot onroerend verklaren

Vervoeging van demobiliseren

demobiliserenhele werkwoord — demobiliseerdeverleden tijd enkelvoud — demobiliseerdenverleden tijd meervoud — gedemobiliseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik demobiliseer demobiliseerde
jij demobiliseert demobiliseerde
hij, zij, het demobiliseert demobiliseerde
wij demobiliseren demobiliseerden
jullie demobiliseren demobiliseerden
zij demobiliseren demobiliseerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
demobiliseer gebiedende wijs
demobiliseerde verleden tijd
demobilisere aanvoegende wijs
demobiliserend onvoltooid, deelwoord
er is gedemobiliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedemobiliseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedemobiliseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedemobiliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedemobiliseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedemobiliseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedemobiliseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedemobiliseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedemobiliseerd verleden tijd, deelwoord
gedemobiliseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedemobiliseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedemobiliseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedemobiliseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedemobiliseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedemobiliseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedemobiliseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedemobiliseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedemobiliseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedemobiliseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedemobiliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te demobiliseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedemobiliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen demobiliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedemobiliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedemobiliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedemobiliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedemobiliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedemobiliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedemobiliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedemobiliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedemobiliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedemobiliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedemobiliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedemobiliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedemobiliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedemobiliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedemobiliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedemobiliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedemobiliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedemobiliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedemobiliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedemobiliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedemobiliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedemobiliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedemobiliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen demobiliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedemobiliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedemobiliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedemobiliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedemobiliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedemobiliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedemobiliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult demobiliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedemobiliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedemobiliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedemobiliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse démobiliser (met het voorvoegsel de- en met het achtervoegsel -iseren)

Woordfamilie van demobiliseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
demobiliseer gebiedende wijs demobiliseren
demobiliseerde verleden tijd demobiliseren
demobiliseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon demobiliseren
demobiliseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon demobiliseren
demobilisere aanvoegende wijs demobiliseren
demobiliserend onvoltooid deelwoord demobiliseren
demobiliserende woordvorm demobiliseren
gedemobiliseerd voltooid deelwoord demobiliseren
gedemobiliseerde woordvorm demobiliseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van demobiliseren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over demobiliseren

Wat is de betekenis van demobiliseren?
Demobiliseren is een werkwoord. De betekenis is: tot vredessterkte terugbrengen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik demobiliseren?
Zo vervoeg je demobiliseren zo: de tegenwoordige tijd is demobiliseer, de verleden tijd is demobiliseerde en het voltooid deelwoord is gedemobiliseerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord demobiliseren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. M 3
  4. O 1
  5. B 3
  6. I 1
  7. L 3
  8. I 1
  9. S 2
  10. E 1
  11. R 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

demobiliseren levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. M 3
  4. O 1
  5. B 4
  6. I 2
  7. L 3
  8. I 2
  9. S 2
  10. E 1
  11. R 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 25 zonder bonus
  15. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

demobiliseren in het kort

demobiliseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van demobiliseren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort demobiliseren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

demobiliseren: tot vredessterkte terugbrengen
Deel demobiliseren — standaardnederlands.nl