dementeren
werkwoordBetekenis
- psychisch aftakelen gepaard gaande met o.a. geheugenverlies of zwakzinnigheid
Vervoeging van dementeren
dementerenhele werkwoord — dementeerdeverleden tijd enkelvoud — dementeerdenverleden tijd meervoud — gedementeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dementeer | dementeerde |
| jij | dementeert | dementeerde |
| hij, zij, het | dementeert | dementeerde |
| wij | dementeren | dementeerden |
| jullie | dementeren | dementeerden |
| zij | dementeren | dementeerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gedementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dementeer | gebiedende wijs |
| dementeerde | verleden tijd |
| dementere | aanvoegende wijs |
| dementerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedementeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedementeerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedementeerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gedementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dementeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gedementeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dementeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedementeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedementeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedementeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedementeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedementeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedementeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedementeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedementeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gedementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dementeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘dement worden of zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1934
Woordfamilie van dementeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dementeer | gebiedende wijs | dementeren |
| dementeerde | verleden tijd | dementeren |
| dementeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dementeren |
| dementeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dementeren |
| dementerend | onvoltooid deelwoord | dementeren |
| dementerende | woordvorm | dementeren |
| gedementeerd | voltooid deelwoord | dementeren |
| gedementeerde | woordvorm | dementeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dementeren zijn vastgelegd.