demaskeren
werkwoordBetekenis
- de ware aard laten zien van iets of iemand
Vervoeging van demaskeren
demaskerenhele werkwoord — demaskeerdeverleden tijd enkelvoud — demaskeerdenverleden tijd meervoud — gedemaskeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | demaskeer | demaskeerde |
| jij | demaskeert | demaskeerde |
| hij, zij, het | demaskeert | demaskeerde |
| wij | demaskeren | demaskeerden |
| jullie | demaskeren | demaskeerden |
| zij | demaskeren | demaskeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| demaskeer | gebiedende wijs |
| demaskeerde | verleden tijd |
| demaskere | aanvoegende wijs |
| demaskerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedemaskeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedemaskeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedemaskeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedemaskeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedemaskeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedemaskeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedemaskeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedemaskeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedemaskeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedemaskeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedemaskeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedemaskeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedemaskeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedemaskeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedemaskeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedemaskeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedemaskeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedemaskeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedemaskeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedemaskeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te demaskeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedemaskeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen demaskeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedemaskeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedemaskeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedemaskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedemaskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedemaskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedemaskeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedemaskeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedemaskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedemaskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedemaskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedemaskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedemaskeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedemaskeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedemaskeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedemaskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedemaskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedemaskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedemaskeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedemaskeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedemaskeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedemaskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedemaskeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen demaskeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedemaskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedemaskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedemaskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedemaskeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedemaskeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedemaskeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult demaskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedemaskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedemaskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedemaskeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse démasquer (met het voorvoegsel de- en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van demaskeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| demaskeer | gebiedende wijs | demaskeren |
| demaskeerde | verleden tijd | demaskeren |
| demaskeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | demaskeren |
| demaskeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | demaskeren |
| demaskere | aanvoegende wijs | demaskeren |
| demaskerend | onvoltooid deelwoord | demaskeren |
| demaskerende | woordvorm | demaskeren |
| gedemaskeerd | voltooid deelwoord | demaskeren |
| gedemaskeerde | woordvorm | demaskeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van demaskeren zijn vastgelegd.