delibereren
werkwoordBetekenis
- beraadslagen
Vervoeging van delibereren
delibererenhele werkwoord — delibereerdeverleden tijd enkelvoud — delibereerdenverleden tijd meervoud — gedelibereerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | delibereer | delibereerde |
| jij | delibereert | delibereerde |
| hij, zij, het | delibereert | delibereerde |
| wij | delibereren | delibereerden |
| jullie | delibereren | delibereerden |
| zij | delibereren | delibereerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| delibereer | gebiedende wijs |
| delibereerde | verleden tijd |
| deliberere | aanvoegende wijs |
| delibererend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedelibereerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedelibereerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedelibereerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedelibereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedelibereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedelibereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedelibereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedelibereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedelibereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedelibereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedelibereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedelibereerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedelibereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedelibereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedelibereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedelibereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedelibereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedelibereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te delibereren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedelibereerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen delibereren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedelibereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedelibereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedelibereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedelibereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedelibereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedelibereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedelibereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedelibereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedelibereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedelibereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen delibereren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedelibereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedelibereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedelibereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult delibereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedelibereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘beraadslagen’ voor het eerst aangetroffen in 1467
Woordfamilie van delibereren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| delibereer | gebiedende wijs | delibereren |
| delibereerde | verleden tijd | delibereren |
| delibereerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | delibereren |
| delibereert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | delibereren |
| deliberere | aanvoegende wijs | delibereren |
| delibererend | onvoltooid deelwoord | delibereren |
| delibererende | woordvorm | delibereren |
| gedelibereerd | voltooid deelwoord | delibereren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van delibereren zijn vastgelegd.