delgen
werkwoord ˈdɛlɣə(n)Betekenis
- een schuld uitwissen, tenietdoen, amortiseren
Hoe spreek je delgen uit?
/ˈdɛlxən/
Delgen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van delgen
delgenhele werkwoord — delgdeverleden tijd enkelvoud — delgdenverleden tijd meervoud — gedelgdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | delg | delgde |
| jij | delgt | delgde |
| hij, zij, het | delgt | delgde |
| wij | delgen | delgden |
| jullie | delgen | delgden |
| zij | delgen | delgden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| delg | gebiedende wijs |
| delgde | verleden tijd |
| delge | aanvoegende wijs |
| delgend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedelgd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedelgd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedelgd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedelgd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedelgd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedelgd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedelgd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedelgd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedelgd | verleden tijd, deelwoord |
| gedelgd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedelgd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedelgd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedelgd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedelgd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedelgd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedelgd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedelgd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedelgd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedelgd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedelgd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedelgd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedelgd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedelgd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedelgd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedelgd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedelgd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedelgd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te delgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedelgd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen delgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedelgd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedelgd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedelgd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedelgd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedelgd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedelgd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedelgd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedelgd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal delgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal delgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal delgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedelgd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedelgd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedelgd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedelgd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedelgd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedelgd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou delgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou delgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou delgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedelgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedelgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedelgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedelgd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedelgd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedelgd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden delgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden delgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden delgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedelgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedelgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedelgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedelgd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedelgd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedelgd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt delgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedelgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedelgd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen delgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen delgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen delgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen delgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedelgd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedelgd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedelgd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedelgd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedelgd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedelgd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult delgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedelgd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedelgd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedelgd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands deligen, in de betekenis ‘uitwissen, laten verdwijnen’ aangetroffen vanaf 1384-1398 In het Oudnederlands komt de samenstelling fardiligon "verdelgen, uitwissen" voor, in het Oudsaksisch diligon (Nedersaksisch delgen / dilgen), in het Oudhoogduits tiligon (Middelhoogduits tiligen, Duits tilgen "verwijderen"), in het Oudfries diligia (Fries dylgje) en het Angelsaksisch dilgian "uitwissen". Dit zou een vroege ontlening van Latijn delere kunnen zijn.
Woordfamilie van delgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| delg | gebiedende wijs | delgen |
| delgde | verleden tijd | delgen |
| delgden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | delgen |
| delge | aanvoegende wijs | delgen |
| delgend | onvoltooid deelwoord | delgen |
| delgende | woordvorm | delgen |
| delgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | delgen |
| gedelgd | voltooid deelwoord | delgen |
| gedelgde | woordvorm | delgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van delgen zijn vastgelegd.