defragmenteren
werkwoordBetekenis
- de fragmentatie op een geheugenschijf ongedaan maken door de aanwezige gegevens te hergroeperen
Vervoeging van defragmenteren
defragmenterenhele werkwoord — defragmenteerdeverleden tijd enkelvoud — defragmenteerdenverleden tijd meervoud — gedefragmenteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | defragmenteer | defragmenteerde |
| jij | defragmenteert | defragmenteerde |
| hij, zij, het | defragmenteert | defragmenteerde |
| wij | defragmenteren | defragmenteerden |
| jullie | defragmenteren | defragmenteerden |
| zij | defragmenteren | defragmenteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| defragmenteer | gebiedende wijs |
| defragmenteerde | verleden tijd |
| defragmentere | aanvoegende wijs |
| defragmenterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedefragmenteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedefragmenteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedefragmenteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedefragmenteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedefragmenteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedefragmenteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedefragmenteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedefragmenteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedefragmenteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedefragmenteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedefragmenteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedefragmenteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedefragmenteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedefragmenteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedefragmenteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedefragmenteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedefragmenteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedefragmenteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedefragmenteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedefragmenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te defragmenteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedefragmenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen defragmenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedefragmenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedefragmenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedefragmenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedefragmenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedefragmenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedefragmenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedefragmenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedefragmenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedefragmenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedefragmenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen defragmenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedefragmenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedefragmenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedefragmenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult defragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedefragmenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse défragmenter (met het voorvoegsel de- en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van defragmenteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| defragmenteer | gebiedende wijs | defragmenteren |
| defragmenteerde | verleden tijd | defragmenteren |
| defragmenteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | defragmenteren |
| defragmenteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | defragmenteren |
| defragmentere | aanvoegende wijs | defragmenteren |
| defragmenterend | onvoltooid deelwoord | defragmenteren |
| defragmenterende | woordvorm | defragmenteren |
| gedefragmenteerd | voltooid deelwoord | defragmenteren |
| gedefragmenteerde | woordvorm | defragmenteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van defragmenteren zijn vastgelegd.