Naar de inhoud

decentraliseren

spreiden over een aantal lagere instanties

decentraliseren

werkwoord

Betekenis

  1. spreiden over een aantal lagere instanties

Vervoeging van decentraliseren

decentraliserenhele werkwoord — decentraliseerdeverleden tijd enkelvoud — decentraliseerdenverleden tijd meervoud — gedecentraliseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik decentraliseer decentraliseerde
jij decentraliseert decentraliseerde
hij, zij, het decentraliseert decentraliseerde
wij decentraliseren decentraliseerden
jullie decentraliseren decentraliseerden
zij decentraliseren decentraliseerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
decentraliseer gebiedende wijs
decentraliseerde verleden tijd
decentralisere aanvoegende wijs
decentraliserend onvoltooid, deelwoord
er is gedecentraliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedecentraliseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedecentraliseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedecentraliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedecentraliseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedecentraliseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedecentraliseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedecentraliseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedecentraliseerd verleden tijd, deelwoord
gedecentraliseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedecentraliseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedecentraliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedecentraliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedecentraliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedecentraliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedecentraliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedecentraliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedecentraliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedecentraliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedecentraliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedecentraliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedecentraliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedecentraliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedecentraliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedecentraliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedecentraliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te decentraliseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedecentraliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen decentraliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedecentraliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedecentraliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedecentraliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedecentraliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedecentraliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedecentraliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedecentraliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedecentraliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedecentraliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedecentraliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen decentraliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedecentraliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedecentraliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedecentraliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult decentraliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedecentraliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse centraliser met het voorvoegsel de- en met het achtervoegsel -iseren

Woordfamilie van decentraliseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
decentraliseer gebiedende wijs decentraliseren
decentraliseerde verleden tijd decentraliseren
decentraliseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon decentraliseren
decentraliseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon decentraliseren
decentralisere aanvoegende wijs decentraliseren
decentraliserend onvoltooid deelwoord decentraliseren
decentraliserende woordvorm decentraliseren
gedecentraliseerd voltooid deelwoord decentraliseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van decentraliseren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over decentraliseren

Wat is de betekenis van decentraliseren?
Decentraliseren is een werkwoord. De betekenis is: spreiden over een aantal lagere instanties.
Hoe vervoeg ik decentraliseren?
Zo vervoeg je decentraliseren zo: de tegenwoordige tijd is decentraliseer, de verleden tijd is decentraliseerde en het voltooid deelwoord is gedecentraliseerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord decentraliseren is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. C 5
  4. E 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. R 2
  8. A 1
  9. L 3
  10. I 1
  11. S 2
  12. E 1
  13. R 2
  14. E 1
  15. N 1
  16. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

decentraliseren levert met Wordfeud minimaal 27 en maximaal 111 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. C 5
  4. E 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. R 2
  8. A 1
  9. L 3
  10. I 2
  11. S 2
  12. E 1
  13. R 2
  14. E 1
  15. N 1
  16. 27 zonder bonus
  17. 111 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

decentraliseren in het kort

decentraliseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van decentraliseren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort decentraliseren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

decentraliseren: spreiden over een aantal lagere instanties
Deel decentraliseren — standaardnederlands.nl