debuteren
werkwoordBetekenis
- voor de eerste keer in het openbaar optreden, spelen of publiceren
Vervoeging van debuteren
debuterenhele werkwoord — debuteerdeverleden tijd enkelvoud — debuteerdenverleden tijd meervoud — gedebuteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | debuteer | debuteerde |
| jij | debuteert | debuteerde |
| hij, zij, het | debuteert | debuteerde |
| wij | debuteren | debuteerden |
| jullie | debuteren | debuteerden |
| zij | debuteren | debuteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| debuteer | gebiedende wijs |
| debuteerde | verleden tijd |
| debutere | aanvoegende wijs |
| debuterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedebuteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedebuteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedebuteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedebuteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedebuteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedebuteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedebuteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedebuteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedebuteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedebuteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedebuteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedebuteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedebuteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedebuteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedebuteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedebuteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedebuteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedebuteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedebuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedebuteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedebuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedebuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedebuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedebuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedebuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedebuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te debuteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedebuteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen debuteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedebuteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedebuteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedebuteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedebuteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedebuteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedebuteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedebuteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedebuteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedebuteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedebuteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen debuteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedebuteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedebuteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedebuteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult debuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedebuteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voor het eerst optreden’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van debuteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| debuteer | gebiedende wijs | debuteren |
| debuteerde | verleden tijd | debuteren |
| debuteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | debuteren |
| debuteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | debuteren |
| debutere | aanvoegende wijs | debuteren |
| debuterend | onvoltooid deelwoord | debuteren |
| debuterende | woordvorm | debuteren |
| gedebuteerd | voltooid deelwoord | debuteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van debuteren zijn vastgelegd.