debatteren
werkwoordBetekenis
- elkaars standpunten met argumenten bestrijden
Vervoeging van debatteren
debatterenhele werkwoord — debatteerdeverleden tijd enkelvoud — debatteerdenverleden tijd meervoud — gedebatteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | debatteer | debatteerde |
| jij | debatteert | debatteerde |
| hij, zij, het | debatteert | debatteerde |
| wij | debatteren | debatteerden |
| jullie | debatteren | debatteerden |
| zij | debatteren | debatteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| debatteer | gebiedende wijs |
| debatteerde | verleden tijd |
| debattere | aanvoegende wijs |
| debatterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedebatteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedebatteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedebatteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedebatteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedebatteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedebatteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedebatteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedebatteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedebatteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedebatteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedebatteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedebatteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedebatteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedebatteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedebatteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedebatteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedebatteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedebatteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedebatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedebatteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedebatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedebatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedebatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedebatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedebatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedebatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te debatteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedebatteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen debatteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedebatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedebatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedebatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedebatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedebatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedebatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedebatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedebatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedebatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedebatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen debatteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedebatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedebatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedebatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult debatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedebatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘discussiëren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van debatteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| debatteer | gebiedende wijs | debatteren |
| debatteerde | verleden tijd | debatteren |
| debatteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | debatteren |
| debatteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | debatteren |
| debattere | aanvoegende wijs | debatteren |
| debatterend | onvoltooid deelwoord | debatteren |
| debatterende | woordvorm | debatteren |
| gedebatteerd | voltooid deelwoord | debatteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van debatteren zijn vastgelegd.