Naar de inhoud

debarkeren

ontschepen, aan land gaan

debarkeren

werkwoord

Betekenis

  1. ontschepen, aan land gaan
  2. ontschepen, aan wal zetten

Vervoeging van debarkeren

debarkerenhele werkwoord — debarkeerdeverleden tijd enkelvoud — debarkeerdenverleden tijd meervoud — gedebarkeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik debarkeer debarkeerde
jij debarkeert debarkeerde
hij, zij, het debarkeert debarkeerde
wij debarkeren debarkeerden
jullie debarkeren debarkeerden
zij debarkeren debarkeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
debarkeer gebiedende wijs
debarkeerde verleden tijd
debarkere aanvoegende wijs
debarkerend onvoltooid, deelwoord
er is gedebarkeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedebarkeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedebarkeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedebarkeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedebarkeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedebarkeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedebarkeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedebarkeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedebarkeerd verleden tijd, deelwoord
gedebarkeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedebarkeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedebarkeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedebarkeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedebarkeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedebarkeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedebarkeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedebarkeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedebarkeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedebarkeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedebarkeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te debarkeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedebarkeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen debarkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedebarkeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedebarkeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedebarkeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedebarkeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedebarkeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedebarkeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedebarkeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedebarkeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedebarkeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedebarkeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedebarkeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedebarkeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedebarkeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedebarkeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedebarkeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedebarkeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedebarkeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedebarkeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedebarkeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedebarkeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedebarkeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedebarkeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen debarkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedebarkeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedebarkeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedebarkeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedebarkeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedebarkeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedebarkeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult debarkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedebarkeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedebarkeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedebarkeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontschepen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596

Woordfamilie van debarkeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
debarkeer gebiedende wijs debarkeren
debarkeerde verleden tijd debarkeren
debarkeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon debarkeren
debarkeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon debarkeren
debarkere aanvoegende wijs debarkeren
debarkerend onvoltooid deelwoord debarkeren
debarkerende woordvorm debarkeren
gedebarkeerd voltooid deelwoord debarkeren
gedebarkeerde woordvorm debarkeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van debarkeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over debarkeren

Wat betekent debarkeren?
Debarkeren is een werkwoord. Het woord betekent: ontschepen, aan land gaan. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je debarkeren?
Je vervoegt debarkeren als volgt: de tegenwoordige tijd is debarkeer, de verleden tijd is debarkeerde en het voltooid deelwoord is gedebarkeerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord debarkeren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. B 3
  4. A 1
  5. R 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

debarkeren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. B 4
  4. A 1
  5. R 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

debarkeren in het kort

debarkeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van debarkeren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort debarkeren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

debarkeren: ontschepen, aan land gaan
Deel debarkeren — standaardnederlands.nl