de-escaleren
werkwoordBetekenis
- (een geschil) minder hevig doen worden
- minder hevig worden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- minder hevig doen worden transitive
Vervoeging van de-escaleren
de-escalerenhele werkwoord — de-escaleerdeverleden tijd enkelvoud — de-escaleerdenverleden tijd meervoud — gede-escaleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | de-escaleer | de-escaleerde |
| jij | de-escaleert | de-escaleerde |
| hij, zij, het | de-escaleert | de-escaleerde |
| wij | de-escaleren | de-escaleerden |
| jullie | de-escaleren | de-escaleerden |
| zij | de-escaleren | de-escaleerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| de-escaleer | gebiedende wijs |
| de-escaleerde | verleden tijd |
| de-escalere | aanvoegende wijs |
| de-escalerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gede-escaleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gede-escaleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gede-escaleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gede-escaleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gede-escaleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gede-escaleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gede-escaleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gede-escaleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gede-escaleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gede-escaleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gede-escaleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gede-escaleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gede-escaleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gede-escaleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gede-escaleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gede-escaleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gede-escaleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gede-escaleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gede-escaleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gede-escaleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te de-escaleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gede-escaleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen de-escaleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gede-escaleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gede-escaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gede-escaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gede-escaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gede-escaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gede-escaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gede-escaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gede-escaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gede-escaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gede-escaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gede-escaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gede-escaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gede-escaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gede-escaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gede-escaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gede-escaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gede-escaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gede-escaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gede-escaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gede-escaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gede-escaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gede-escaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen de-escaleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gede-escaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gede-escaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gede-escaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gede-escaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gede-escaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gede-escaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult de-escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gede-escaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gede-escaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gede-escaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van escaleren met het voorvoegsel de- (en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van de-escaleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| de-escaleer | gebiedende wijs | de-escaleren |
| de-escaleerde | verleden tijd | de-escaleren |
| de-escaleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | de-escaleren |
| de-escaleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | de-escaleren |
| de-escalere | aanvoegende wijs | de-escaleren |
| de-escalerend | onvoltooid deelwoord | de-escaleren |
| de-escalerende | woordvorm | de-escaleren |
| gede-escaleerd | voltooid deelwoord | de-escaleren |
| gede-escaleerde | woordvorm | de-escaleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van de-escaleren zijn vastgelegd.