Naar de inhoud

de-escaleren

(een geschil) minder hevig doen worden

de-escaleren

werkwoord

Betekenis

  1. (een geschil) minder hevig doen worden
  2. minder hevig worden
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

werkwoord

  1. minder hevig doen worden transitive

Vervoeging van de-escaleren

de-escalerenhele werkwoord — de-escaleerdeverleden tijd enkelvoud — de-escaleerdenverleden tijd meervoud — gede-escaleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik de-escaleer de-escaleerde
jij de-escaleert de-escaleerde
hij, zij, het de-escaleert de-escaleerde
wij de-escaleren de-escaleerden
jullie de-escaleren de-escaleerden
zij de-escaleren de-escaleerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
de-escaleer gebiedende wijs
de-escaleerde verleden tijd
de-escalere aanvoegende wijs
de-escalerend onvoltooid, deelwoord
er is gede-escaleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gede-escaleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gede-escaleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gede-escaleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gede-escaleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gede-escaleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gede-escaleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gede-escaleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gede-escaleerd verleden tijd, deelwoord
gede-escaleerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gede-escaleerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gede-escaleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gede-escaleerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gede-escaleerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gede-escaleerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gede-escaleerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gede-escaleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gede-escaleerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gede-escaleerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gede-escaleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te de-escaleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gede-escaleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen de-escaleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gede-escaleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gede-escaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gede-escaleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gede-escaleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gede-escaleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gede-escaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gede-escaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gede-escaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gede-escaleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gede-escaleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gede-escaleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gede-escaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gede-escaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gede-escaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gede-escaleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gede-escaleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gede-escaleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gede-escaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gede-escaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gede-escaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gede-escaleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gede-escaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen de-escaleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gede-escaleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gede-escaleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gede-escaleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gede-escaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gede-escaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gede-escaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult de-escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gede-escaleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gede-escaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gede-escaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van escaleren met het voorvoegsel de- (en met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van de-escaleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
de-escaleer gebiedende wijs de-escaleren
de-escaleerde verleden tijd de-escaleren
de-escaleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon de-escaleren
de-escaleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon de-escaleren
de-escalere aanvoegende wijs de-escaleren
de-escalerend onvoltooid deelwoord de-escaleren
de-escalerende woordvorm de-escaleren
gede-escaleerd voltooid deelwoord de-escaleren
gede-escaleerde woordvorm de-escaleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van de-escaleren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over de-escaleren

Wat is de betekenis van de-escaleren?
De-escaleren is een werkwoord. De betekenis is: (een geschil) minder hevig doen worden. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik de-escaleren?
Zo vervoeg je de-escaleren zo: de tegenwoordige tijd is de-escaleer, de verleden tijd is de-escaleerde en het voltooid deelwoord is gede-escaleerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

de-escaleren is geen Scrabblewoord: het bestaat niet uitsluitend uit letters die je met tegels kunt leggen.

Wordfeud punten

Naar spel

de-escaleren is met Wordfeud niet te leggen: het bestaat niet uitsluitend uit letters waarvoor stenen bestaan.

de-escaleren in het kort

de-escaleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van de-escaleren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort de-escaleren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

de-escaleren: (een geschil) minder hevig doen worden
Deel de-escaleren — standaardnederlands.nl