daveren
werkwoordBetekenis
- zich onder voortbrenging van veel lawaai voortbewegen
Vervoeging van daveren
daverenhele werkwoord — daverdeverleden tijd enkelvoud — daverdenverleden tijd meervoud — gedaverdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | daver | daverde |
| jij | davert | daverde |
| hij, zij, het | davert | daverde |
| wij | daveren | daverden |
| jullie | daveren | daverden |
| zij | daveren | daverden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| daver | gebiedende wijs |
| daverde | verleden tijd |
| davere | aanvoegende wijs |
| daverend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedaverd | verleden tijd, deelwoord |
| gedaverd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedaverd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedaverd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedaverd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedaverd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedaverd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedaverd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedaverd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedaverd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedaverd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedaverd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedaverd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedaverd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedaverd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedaverd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedaverd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedaverd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te daveren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedaverd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen daveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal daveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal daveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal daveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedaverd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedaverd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedaverd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou daveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou daveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou daveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedaverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedaverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedaverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden daveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden daveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden daveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedaverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedaverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedaverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt daveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedaverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen daveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen daveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen daveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen daveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedaverd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedaverd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedaverd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult daveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedaverd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘dreunen, schudden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1301
Woordfamilie van daveren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| daverde | verleden tijd | daveren |
| daverden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | daveren |
| davere | aanvoegende wijs | daveren |
| davert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | daveren |
| gedaverd | voltooid deelwoord | daveren |
| gedaverde | woordvorm | daveren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van daveren zijn vastgelegd.