daver
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- (het) beven, schok, schrik, rilling
zelfstandig naamwoord — masculine
- beven, schok, schrik, rilling informal
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van daveren
- gebiedende wijs van daveren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van daveren
Vervoeging van daver
daverhele werkwoord
Herkomst
Ontleend aan het Vlaams