dalven
werkwoord /'dɑlvə(n)/Betekenis
- bedelen
- als ambtenaar kortingen bedingen bij privé-aankopen
Hoe spreek je dalven uit?
/ˈdɑlvən/
Dalven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɑ | bad |
| l | land |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van dalven
dalvenhele werkwoord — dalfdeverleden tijd enkelvoud — dalfdenverleden tijd meervoud — gedalfdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dalf | dalfde |
| jij | dalft | dalfde |
| hij, zij, het | dalft | dalfde |
| wij | dalven | dalfden |
| jullie | dalven | dalfden |
| zij | dalven | dalfden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dalf | gebiedende wijs |
| dalfde | verleden tijd |
| dalve | aanvoegende wijs |
| dalvend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedalfd | verleden tijd, deelwoord |
| gedalfd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedalfd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedalfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedalfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedalfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedalfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedalfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dalven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedalfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dalven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dalven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘bedelen’ voor het eerst aangetroffen in 1844
Woordfamilie van dalven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dalf | gebiedende wijs | dalven |
| dalfde | verleden tijd | dalven |
| dalfden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dalven |
| dalft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dalven |
| dalve | aanvoegende wijs | dalven |
| dalvend | onvoltooid deelwoord | dalven |
| dalvende | woordvorm | dalven |
| gedalfd | voltooid deelwoord | dalven |
| gedalfde | woordvorm | dalven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dalven zijn vastgelegd.