cursus
zelfstandig naamwoord /ˈkʏrsʏs/Betekenis
- een reeks lessen die een afgesloten geheel vormen
- een leerjaar
Hoe spreek je cursus uit?
/ˈkʏrsʏs/
Cursus bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ʏ | put |
| r | rood |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- reeks lessen die een afgesloten geheel vormen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cursusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| cursusjes | verkleinwoord, meervoud |
| cursussen | meervoud |
Herkomst
van Latijn cursus, in de betekenis van ‘leergang’ voor het eerst aangetroffen in 1804
Woordfamilie van cursus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cursusje | verkleinwoord | cursus |
| cursusjes | verkleinwoord meervoud | cursus |
| cursussen | meervoud | cursus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cursus zijn vastgelegd.