credit
zelfstandig naamwoord ˈkredɪtBetekenis
- dat wat men als koopman of bankhouder schuldig is
- passiefzijde, rechterzijde van de balans met schulden en vermogen
- tegoed van de rekeninghouder
- krediet
- erkenning
- erkennen
Hoe spreek je credit uit?
/ˈkredɪt/
Credit bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| e | veel |
| d | dak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- vermelde erkenning die iemand krijgt voor een behaald resultaat of zijn bijdrage daaraan
- toegekende punten voor een bepaalde studieprestatie als onderdeel van een telling om vast te stellen of aan exameneisen of andere voorwaarden is voldaan
- toegekende punten voor een bepaald resultaat in een computergame als onderdeel van een telling die aanspraak kan geven op bepaalde voordelen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| credits | enkelvoud |
Woordfamilie van credit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| credits | enkelvoud | credit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van credit zijn vastgelegd.