Naar de inhoud

coöpereren

samenwerken

coöpereren

werkwoord

Betekenis

  1. samenwerken

Vervoeging van coöpereren

coöpererenhele werkwoord — coöpereerdeverleden tijd enkelvoud — coöpereerdenverleden tijd meervoud — gecoöpereerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik coöpereer coöpereerde
jij coöpereert coöpereerde
hij, zij, het coöpereert coöpereerde
wij coöpereren coöpereerden
jullie coöpereren coöpereerden
zij coöpereren coöpereerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
coöpereer gebiedende wijs
coöpereerde verleden tijd
coöperere aanvoegende wijs
coöpererend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
gecoöpereerd verleden tijd, deelwoord
gecoöpereerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecoöpereerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gecoöpereerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gecoöpereerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gecoöpereerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gecoöpereerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gecoöpereerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gecoöpereerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gecoöpereerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gecoöpereerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecoöpereerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gecoöpereerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecoöpereerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gecoöpereerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gecoöpereerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecoöpereerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecoöpereerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te coöpereren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gecoöpereerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen coöpereren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gecoöpereerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecoöpereerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gecoöpereerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gecoöpereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecoöpereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecoöpereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gecoöpereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecoöpereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecoöpereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gecoöpereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen coöpereren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gecoöpereerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecoöpereerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecoöpereerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult coöpereren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gecoöpereerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse coopérer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van coöpereren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
coöpereer gebiedende wijs coöpereren
coöpereerde verleden tijd coöpereren
coöpereerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon coöpereren
coöpereert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon coöpereren
coöperere aanvoegende wijs coöpereren
coöpererend onvoltooid deelwoord coöpereren
coöpererende woordvorm coöpereren
gecoöpereerd voltooid deelwoord coöpereren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van coöpereren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over coöpereren

Wat is de betekenis van coöpereren?
Coöpereren is een werkwoord. De betekenis is: samenwerken.
Hoe vervoeg ik coöpereren?
Zo vervoeg je coöpereren zo: de tegenwoordige tijd is coöpereer, de verleden tijd is coöpereerde en het voltooid deelwoord is gecoöpereerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord coöpereren is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. O 1
  3. O 1
  4. P 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

coöpereren levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. O 1
  3. O 1
  4. P 4
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

coöpereren in het kort

coöpereren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van coöpereren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort coöpereren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

coöpereren: samenwerken
Deel coöpereren — standaardnederlands.nl