conveniëren
werkwoordBetekenis
- passen, gelegen komen, schikken
- bijeenroepen
- overeenkomen
Vervoeging van conveniëren
conveniërenhele werkwoord — convenieerdeverleden tijd enkelvoud — convenieerdenverleden tijd meervoud — geconvenieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | convenieer | convenieerde |
| jij | convenieert | convenieerde |
| hij, zij, het | convenieert | convenieerde |
| wij | conveniëren | convenieerden |
| jullie | conveniëren | convenieerden |
| zij | conveniëren | convenieerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| convenieer | gebiedende wijs |
| convenieerde | verleden tijd |
| conveniëre | aanvoegende wijs |
| conveniërend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geconvenieerd | verleden tijd, deelwoord |
| geconvenieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconvenieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geconvenieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geconvenieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geconvenieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geconvenieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geconvenieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geconvenieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geconvenieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geconvenieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconvenieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geconvenieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconvenieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geconvenieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geconvenieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconvenieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconvenieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te conveniëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geconvenieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen conveniëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geconvenieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconvenieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geconvenieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geconvenieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconvenieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconvenieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geconvenieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geconvenieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geconvenieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geconvenieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen conveniëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geconvenieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geconvenieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geconvenieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult conveniëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geconvenieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gelegen komen’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Woordfamilie van conveniëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| convenieer | gebiedende wijs | conveniëren |
| convenieerde | verleden tijd | conveniëren |
| convenieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | conveniëren |
| convenieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | conveniëren |
| conveniëre | aanvoegende wijs | conveniëren |
| conveniërend | onvoltooid deelwoord | conveniëren |
| conveniërende | woordvorm | conveniëren |
| geconvenieerd | voltooid deelwoord | conveniëren |
| geconvenieerde | woordvorm | conveniëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van conveniëren zijn vastgelegd.