Naar de inhoud

consolideren

vast en duurzaam maken

consolideren

werkwoord

Betekenis

  1. vast en duurzaam maken

Vervoeging van consolideren

consoliderenhele werkwoord — consolideerdeverleden tijd enkelvoud — consolideerdenverleden tijd meervoud — geconsolideerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik consolideer consolideerde
jij consolideert consolideerde
hij, zij, het consolideert consolideerde
wij consolideren consolideerden
jullie consolideren consolideerden
zij consolideren consolideerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
consolideer gebiedende wijs
consolideerde verleden tijd
consolidere aanvoegende wijs
consoliderend onvoltooid, deelwoord
er is geconsolideerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geconsolideerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geconsolideerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geconsolideerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geconsolideerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geconsolideerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geconsolideerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geconsolideerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geconsolideerd verleden tijd, deelwoord
geconsolideerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geconsolideerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geconsolideerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconsolideerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconsolideerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconsolideerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geconsolideerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geconsolideerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geconsolideerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geconsolideerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geconsolideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geconsolideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geconsolideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geconsolideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geconsolideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geconsolideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geconsolideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geconsolideerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te consolideren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geconsolideerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen consolideren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geconsolideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geconsolideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geconsolideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geconsolideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geconsolideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geconsolideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geconsolideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geconsolideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal consolideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal consolideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal consolideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geconsolideerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconsolideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geconsolideerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geconsolideerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconsolideerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geconsolideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou consolideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou consolideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou consolideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geconsolideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconsolideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconsolideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconsolideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconsolideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconsolideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden consolideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden consolideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden consolideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geconsolideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geconsolideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geconsolideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geconsolideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geconsolideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geconsolideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt consolideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geconsolideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geconsolideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen consolideren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen consolideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen consolideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen consolideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geconsolideerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geconsolideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geconsolideerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geconsolideerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geconsolideerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geconsolideerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult consolideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geconsolideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geconsolideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geconsolideerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘duurzaam maken’ voor het eerst aangetroffen in 1351

Woordfamilie van consolideren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
consolideer gebiedende wijs consolideren
consolideerde verleden tijd consolideren
consolideerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon consolideren
consolideert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon consolideren
consolidere aanvoegende wijs consolideren
consoliderend onvoltooid deelwoord consolideren
consoliderende woordvorm consolideren
geconsolideerd voltooid deelwoord consolideren
geconsolideerde woordvorm consolideren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van consolideren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over consolideren

Wat betekent consolideren?
Consolideren is een werkwoord. Het woord betekent: vast en duurzaam maken.
Hoe vervoeg je consolideren?
Je vervoegt consolideren als volgt: de tegenwoordige tijd is consolideer, de verleden tijd is consolideerde en het voltooid deelwoord is geconsolideerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord consolideren is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. O 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. O 1
  6. L 3
  7. I 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

consolideren levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. O 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. O 1
  6. L 3
  7. I 2
  8. D 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 zonder bonus
  14. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

consolideren in het kort

consolideren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van consolideren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort consolideren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

consolideren: vast en duurzaam maken
Deel consolideren — standaardnederlands.nl