congrueren
werkwoordBetekenis
- overeenstemmen
- woorden qua geslacht en getal in overeenstemming brengen
- gelijk en gelijkvormig zijn
Vervoeging van congrueren
congruerenhele werkwoord — congrueerdeverleden tijd enkelvoud — congrueerdenverleden tijd meervoud — gecongrueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | congrueer | congrueerde |
| jij | congrueert | congrueerde |
| hij, zij, het | congrueert | congrueerde |
| wij | congrueren | congrueerden |
| jullie | congrueren | congrueerden |
| zij | congrueren | congrueerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| congrueer | gebiedende wijs |
| congrueerde | verleden tijd |
| congruere | aanvoegende wijs |
| congruerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecongrueerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecongrueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecongrueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecongrueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecongrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecongrueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecongrueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecongrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecongrueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecongrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecongrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecongrueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecongrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecongrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecongrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecongrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecongrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecongrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te congrueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecongrueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen congrueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecongrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecongrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecongrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecongrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecongrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecongrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecongrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecongrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecongrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecongrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen congrueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecongrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecongrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecongrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult congrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecongrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Latijnse congruere (met het voorvoegsel con-)
Woordfamilie van congrueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| congrueer | gebiedende wijs | congrueren |
| congrueerde | verleden tijd | congrueren |
| congrueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | congrueren |
| congrueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | congrueren |
| congruere | aanvoegende wijs | congrueren |
| congruerend | onvoltooid deelwoord | congrueren |
| congruerende | woordvorm | congrueren |
| gecongrueerd | voltooid deelwoord | congrueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van congrueren zijn vastgelegd.