Naar de inhoud

confectioneren

op industriële wijze maken

confectioneren

werkwoord

Betekenis

  1. op industriële wijze maken

Vervoeging van confectioneren

confectionerenhele werkwoord — confectioneerdeverleden tijd enkelvoud — confectioneerdenverleden tijd meervoud — geconfectioneerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik confectioneer confectioneerde
jij confectioneert confectioneerde
hij, zij, het confectioneert confectioneerde
wij confectioneren confectioneerden
jullie confectioneren confectioneerden
zij confectioneren confectioneerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
confectioneer gebiedende wijs
confectioneerde verleden tijd
confectionere aanvoegende wijs
confectionerend onvoltooid, deelwoord
er is geconfectioneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geconfectioneerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geconfectioneerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geconfectioneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geconfectioneerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geconfectioneerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geconfectioneerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geconfectioneerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geconfectioneerd verleden tijd, deelwoord
geconfectioneerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geconfectioneerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geconfectioneerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconfectioneerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconfectioneerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconfectioneerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geconfectioneerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geconfectioneerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geconfectioneerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geconfectioneerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geconfectioneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te confectioneren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geconfectioneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen confectioneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geconfectioneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geconfectioneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geconfectioneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconfectioneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geconfectioneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geconfectioneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconfectioneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geconfectioneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geconfectioneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconfectioneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconfectioneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconfectioneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconfectioneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconfectioneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geconfectioneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geconfectioneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geconfectioneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geconfectioneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geconfectioneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geconfectioneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geconfectioneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geconfectioneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen confectioneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geconfectioneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geconfectioneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geconfectioneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geconfectioneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geconfectioneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geconfectioneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult confectioneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geconfectioneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geconfectioneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geconfectioneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse confectionner (met het voorvoegsel con- en met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van confectioneren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
confectioneer gebiedende wijs confectioneren
confectioneerde verleden tijd confectioneren
confectioneerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon confectioneren
confectioneert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon confectioneren
confectionere aanvoegende wijs confectioneren
confectionerend onvoltooid deelwoord confectioneren
confectionerende woordvorm confectioneren
geconfectioneerd voltooid deelwoord confectioneren
geconfectioneerde woordvorm confectioneren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van confectioneren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over confectioneren

Wat is de betekenis van confectioneren?
Confectioneren is een werkwoord. De betekenis is: op industriële wijze maken.
Hoe vervoeg ik confectioneren?
Zo vervoeg je confectioneren zo: de tegenwoordige tijd is confectioneer, de verleden tijd is confectioneerde en het voltooid deelwoord is geconfectioneerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord confectioneren is 27 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. O 1
  3. N 1
  4. F 4
  5. E 1
  6. C 5
  7. T 2
  8. I 1
  9. O 1
  10. N 1
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 27 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

confectioneren levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. O 1
  3. N 1
  4. F 4
  5. E 1
  6. C 5
  7. T 2
  8. I 2
  9. O 1
  10. N 1
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 28 zonder bonus
  16. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

confectioneren in het kort

confectioneren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van confectioneren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort confectioneren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

confectioneren: op industriële wijze maken
Deel confectioneren — standaardnederlands.nl