concert
zelfstandig naamwoord kɔnˈsɛrtBetekenis
- een muziekuitvoering door een orkest, ensemble, een koor etc.
- een muziekstuk voor een solo-instrument in samenspel met een orkest
Hoe spreek je concert uit?
/kɔnˈsɛrt/
Concert bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| concerten | meervoud |
| concertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| concertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘muziekuitvoering’ voor het eerst aangetroffen in 1710
Woordfamilie van concert
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| concerten | meervoud | concert |
| concertje | verkleinwoord | concert |
| concertjes | verkleinwoord meervoud | concert |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van concert zijn vastgelegd.