concertgebouw
zelfstandig naamwoord kɔnˈsɛrtxəˌbauBetekenis
- gebouw bestemd voor muziekuitvoeringen. Het bestaat hoofdzakelijk uit een of meer zalen met een geschikte omvang en akoestiek
- organisatie die muziekuitvoeringen in een daarvoor bestemd gebouw aanbiedt
Hoe spreek je concertgebouw uit?
/kɔnˈsɛrtxəˌbau/
Concertgebouw bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| t | tak |
| x | acht |
| ə | de |
| b | bak |
| au | koud |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- gebouw bestemd voor muziekuitvoeringen Het bestaat hoofdzakelijk uit een of meer zalen met een geschikte omvang en akoestiek
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| concertgebouwen | meervoud |
| concertgebouwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| concertgebouwtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van concert zn en gebouw zn
Woordfamilie van concertgebouw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| concertgebouwen | meervoud | concertgebouw |
| concertgebouwtje | verkleinwoord | concertgebouw |
| concertgebouwtjes | verkleinwoord meervoud | concertgebouw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van concertgebouw zijn vastgelegd.