competeren
werkwoordBetekenis
- rechtmatig toekomen
Vervoeging van competeren
competerenhele werkwoord — competeerdeverleden tijd enkelvoud — competeerdenverleden tijd meervoud — gecompeteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | competeer | competeerde |
| jij | competeert | competeerde |
| hij, zij, het | competeert | competeerde |
| wij | competeren | competeerden |
| jullie | competeren | competeerden |
| zij | competeren | competeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| competeer | gebiedende wijs |
| competeerde | verleden tijd |
| competere | aanvoegende wijs |
| competerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecompeteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecompeteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecompeteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecompeteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecompeteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecompeteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecompeteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecompeteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecompeteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecompeteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecompeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecompeteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecompeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecompeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecompeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecompeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecompeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecompeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te competeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecompeteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen competeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal competeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal competeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal competeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecompeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecompeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecompeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou competeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou competeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou competeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecompeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecompeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecompeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden competeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden competeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden competeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecompeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecompeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecompeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt competeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecompeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen competeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen competeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen competeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen competeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecompeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecompeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecompeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult competeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecompeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse compéter of daarvoor van het Latijnse 'competere' (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van competeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| competeer | gebiedende wijs | competeren |
| competeerde | verleden tijd | competeren |
| competeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | competeren |
| competeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | competeren |
| competere | aanvoegende wijs | competeren |
| competerend | onvoltooid deelwoord | competeren |
| competerende | woordvorm | competeren |
| gecompeteerd | voltooid deelwoord | competeren |
| gecompeteerde | woordvorm | competeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van competeren zijn vastgelegd.