chambreren
werkwoordBetekenis
- het op kamertemperatuur laten komen van (met name rode) wijn
- het op kamertemperatuur komen van (met name rode) wijn
Vervoeging van chambreren
chambrerenhele werkwoord — chambreerdeverleden tijd enkelvoud — chambreerdenverleden tijd meervoud — gechambreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | chambreer | chambreerde |
| jij | chambreert | chambreerde |
| hij, zij, het | chambreert | chambreerde |
| wij | chambreren | chambreerden |
| jullie | chambreren | chambreerden |
| zij | chambreren | chambreerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| chambreer | gebiedende wijs |
| chambreerde | verleden tijd |
| chambrere | aanvoegende wijs |
| chambrerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gechambreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gechambreerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gechambreerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gechambreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gechambreerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gechambreerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gechambreerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gechambreerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gechambreerd | verleden tijd, deelwoord |
| gechambreerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gechambreerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gechambreerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gechambreerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gechambreerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gechambreerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gechambreerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gechambreerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gechambreerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gechambreerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gechambreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gechambreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gechambreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gechambreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gechambreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gechambreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gechambreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechambreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te chambreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gechambreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen chambreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gechambreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gechambreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gechambreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gechambreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gechambreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gechambreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gechambreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gechambreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gechambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gechambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gechambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gechambreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gechambreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gechambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gechambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gechambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gechambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gechambreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gechambreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gechambreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gechambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gechambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gechambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gechambreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gechambreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gechambreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gechambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gechambreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen chambreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gechambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gechambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gechambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gechambreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gechambreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gechambreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult chambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gechambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gechambreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gechambreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wijn op kamertemperatuur brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van chambreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| chambreer | gebiedende wijs | chambreren |
| chambreerde | verleden tijd | chambreren |
| chambreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | chambreren |
| chambreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | chambreren |
| chambrere | aanvoegende wijs | chambreren |
| chambrerend | onvoltooid deelwoord | chambreren |
| chambrerende | woordvorm | chambreren |
| gechambreerd | voltooid deelwoord | chambreren |
| gechambreerde | woordvorm | chambreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van chambreren zijn vastgelegd.