catechiseren
werkwoordBetekenis
- godsdienstonderwijs geven
Vervoeging van catechiseren
catechiserenhele werkwoord — catechiseerdeverleden tijd enkelvoud — catechiseerdenverleden tijd meervoud — gecatechiseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | catechiseer | catechiseerde |
| jij | catechiseert | catechiseerde |
| hij, zij, het | catechiseert | catechiseerde |
| wij | catechiseren | catechiseerden |
| jullie | catechiseren | catechiseerden |
| zij | catechiseren | catechiseerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| catechiseer | gebiedende wijs |
| catechiseerde | verleden tijd |
| catechisere | aanvoegende wijs |
| catechiserend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecatechiseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecatechiseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecatechiseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecatechiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecatechiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecatechiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecatechiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecatechiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecatechiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecatechiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecatechiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecatechiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecatechiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecatechiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecatechiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecatechiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecatechiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecatechiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te catechiseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecatechiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen catechiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecatechiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecatechiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecatechiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecatechiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecatechiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecatechiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecatechiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecatechiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecatechiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecatechiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen catechiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecatechiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecatechiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecatechiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult catechiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecatechiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse catéchiser (met het achtervoegsel -iseren)
Woordfamilie van catechiseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| catechiseer | gebiedende wijs | catechiseren |
| catechiseerde | verleden tijd | catechiseren |
| catechiseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | catechiseren |
| catechiseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | catechiseren |
| catechisere | aanvoegende wijs | catechiseren |
| catechiserend | onvoltooid deelwoord | catechiseren |
| catechiserende | woordvorm | catechiseren |
| gecatechiseerd | voltooid deelwoord | catechiseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van catechiseren zijn vastgelegd.