carbureren
werkwoordBetekenis
- verbinden met koolwaterstoffen
- vermengen van brandstof met lucht
Vervoeging van carbureren
carburerenhele werkwoord — carbureerdeverleden tijd enkelvoud — carbureerdenverleden tijd meervoud — gecarbureerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | carbureer | carbureerde |
| jij | carbureert | carbureerde |
| hij, zij, het | carbureert | carbureerde |
| wij | carbureren | carbureerden |
| jullie | carbureren | carbureerden |
| zij | carbureren | carbureerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| carbureer | gebiedende wijs |
| carbureerde | verleden tijd |
| carburere | aanvoegende wijs |
| carburerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecarbureerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecarbureerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecarbureerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecarbureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecarbureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecarbureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecarbureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecarbureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecarbureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecarbureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecarbureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecarbureerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecarbureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecarbureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecarbureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecarbureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecarbureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecarbureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te carbureren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecarbureerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen carbureren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecarbureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecarbureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecarbureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecarbureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecarbureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecarbureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecarbureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecarbureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecarbureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecarbureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen carbureren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecarbureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecarbureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecarbureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult carbureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecarbureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Naamwoord van handeling van het Franse carburer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van carbureren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| carbureer | gebiedende wijs | carbureren |
| carbureerde | verleden tijd | carbureren |
| carbureerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | carbureren |
| carbureert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | carbureren |
| carburere | aanvoegende wijs | carbureren |
| carburerend | onvoltooid deelwoord | carbureren |
| carburerende | woordvorm | carbureren |
| gecarbureerd | voltooid deelwoord | carbureren |
| gecarbureerde | woordvorm | carbureren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van carbureren zijn vastgelegd.