canneleren
werkwoordBetekenis
- van groeven voorzien
Vervoeging van canneleren
cannelerenhele werkwoord — canneleerdeverleden tijd enkelvoud — canneleerdenverleden tijd meervoud — gecanneleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | canneleer | canneleerde |
| jij | canneleert | canneleerde |
| hij, zij, het | canneleert | canneleerde |
| wij | canneleren | canneleerden |
| jullie | canneleren | canneleerden |
| zij | canneleren | canneleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| canneleer | gebiedende wijs |
| canneleerde | verleden tijd |
| cannelere | aanvoegende wijs |
| cannelerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecanneleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecanneleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecanneleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecanneleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecanneleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecanneleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecanneleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecanneleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecanneleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecanneleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecanneleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecanneleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecanneleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecanneleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecanneleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecanneleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecanneleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecanneleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te canneleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecanneleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen canneleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecanneleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecanneleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecanneleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecanneleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecanneleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecanneleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecanneleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecanneleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecanneleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecanneleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen canneleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecanneleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecanneleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecanneleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult canneleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecanneleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse canneler (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van canneleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| canneleer | gebiedende wijs | canneleren |
| canneleerde | verleden tijd | canneleren |
| canneleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | canneleren |
| canneleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | canneleren |
| cannelere | aanvoegende wijs | canneleren |
| cannelerend | onvoltooid deelwoord | canneleren |
| cannelerende | woordvorm | canneleren |
| gecanneleerd | voltooid deelwoord | canneleren |
| gecanneleerde | woordvorm | canneleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van canneleren zijn vastgelegd.